Publicaties

2015   ‘Terugblik op de ‘Jappentijd’

Begin jaren tachtig heeft kunstenaar Trees Ruijs haar herinneringen aan de Japanse bezetting van Nederlands Indië verbeeld in een serie schilderijen, die zij terugblik op de ‘Jappentijd’ noemde. Trees Ruijs groeide op in Nederlands-Indië. Door de Japanse bezetting kwam in 1942 een grimmig einde aan haar jeugd. Met haar moeder en broers en zussen werd zij geïnterneerd. Eerst in een woonwijk in Malang, later in de kampen Karang Panas en Lampersari in Semarang. Haar vader werd tewerkgesteld aan de Birma-Siamspoorweg.
De verschijning van het boek Terugblik op de ‘Jappentijd’ vond plaats in het kader van de zeventigjarige herdenking van het einde van de oorlog in Zuidoost Azië. Augustus 2015. Het boek werd uitgegeven door WBooks, Zwolle en is nu te verkrijgen in ons museum of te bestellen door te bellen naar 0495-785267

Het boek kost € 20,00 plus eventuele verzendkosten.

Dit boek is door Het Museumtijdschrift uitgeroepen tot de mooiste catalogus voor een tentoonstelling in 2015!

De Tentoonstelling “Terugblik op de “Jappentijd” gepresenteerd:
https://www.youtube.com/watch?v=8woaO9tAxMQ&t=237s

Het uitgeleende kind

De kunstschilder Trees Ruijs overleefde een “Jappenkamp” tijdens de Japanse bezetting van het door Nederland gekoloniseerde Indonesië (1942- 1945). Zij schreef er de sfeerrijke roman Het uitgeleende kind over. Zij is hiermee één van de laatste schrijvers over dit onderwerp (geboren 1925) die uit de eigen ervaring van een Indische jeugd kan putten.

Er is de laatste tientallen jaren veel literatuur door ooggetuigen gepubliceerd (fictie en non-fictie [1]) over de ca. 100.000 (Indische) Nederlandse gevangenen in deze Japanse burgerinterneringskampen. De omstandigheden in deze kampen waren zwaar: gewelddadige en vernederende bejegening door Japanse bewakers, veel corveewerk, slechte en onvoldoende voeding, abominabele en overvolle huisvesting in tropische hitte en gebrekkige medische verzorging. En de gevangenen leefden in totale onwetendheid van het lot van dierbaren buiten het kamp. Het uitgeleende kind vertelt het verhaal vanuit het perspectief van Nonnie, in 1942 een meisje van acht jaar uit een Nederlands gezin, levend in een koloniale stad op Java: groot, luxe huis, talrijk Indonesisch huispersoneel. We herkennen het in Indische romans en historische verhandelingen veelvuldig beschreven onbekommerde leven van blanke kinderen in een overweldigende tropische natuur, levend in twee werelden: die van de veelal burgerlijk-westerse ouders en hun blanke omgeving en de fascinerende Indonesische leefwereld van het personeel en de “inheemse” kinderen op straat. Het boek bevat bloemrijke beschrijvingen van het Indische leven, uiterlijk gedomineerd door de islam, maar ook vol animistische en boeddhistisch-hindoeïstische magisch-religieuze praktijken en voorstellingen. Aan dit leven komt in maart 1942 een abrupt einde door de snelle verovering van Indonesië door de Japanse strijdkrachten en de opsluiting van het gezin in een interneringskamp. De vader wordt, zoals bij de Japanse bezetter gebruikelijk, in een burgermannenkamp opgesloten, ver weg van zijn gezin. Dan volgt de beschrijving van Nonnie’s harde leven met haar zusje, broertje en moeder in het Japanse vrouwenkamp, met leefomstandigheden zoals hierboven beschreven. Nonnie krijgt tyfus, wordt in de ziekenboeg van het kamp opgenomen en dreigt, zoals vele lotgenoten te sterven. Maar dan weet moeder haar het kamp uit te smokkelen en mee te geven aan Sayma, een vroeger kindermeisje van het gezin. Zij neemt Nonnie mee naar het nabij gelegen huis van haar Chinese werkgever. Dan begint een leven als onderduikster, omdat een blank kind in deze Indonesisch-Chinese leefomgeving onmiddellijk opvalt en zou worden verraden bij de Japanners. Om dreigende ontdekking te voorkomen, vlucht Sayma met Nonnie naar haar dorp in Oost-Java waar Nonnie zich schuil houdt in een hut buiten het dorp. De Japanse capitulatie en onafhankelijkheidsverklaring door Soekarno op 15 augustus 1945 luiden een nieuwe fase in. Hiermee is het er voor Nonnie niet veiliger op geworden. De nog aanwezige Japanse militairen houden zich afzijdig en er zijn nog geen geallieerde troepen geland. Overal manifesteren zich geradicaliseerde, deels bewapende bendes van Indonesische jongens die tijdens de Japanse bezetting sterk gemotiveerd zijn geraakt voor een onafhankelijk Indonesië als de Japanners verslagen zijn. Daarin is geen plaats meer voor Nederlanders die hun land al drieënhalve eeuw hebben uitgebuit, zo vinden zij. Deze jongeren hebben het in deze chaotische maanden gemunt op (Indische) Nederlanders en Chinezen. Er vallen naar schatting 3.500, mogelijk veel meer, slachtoffers tijdens bloedige moordpartijen. Deze periode is bekend geworden onder de Maleise term bersiap (“wees paraat”)[2]. Het boek bevat goede en soms spannende beschrijvingen waarin Nonnie ternauwernood ontsnapt aan deze jongeren die ook haar afgelegen onderkomen weten te vinden. Zij trouwt met een dorpsjongen om beter beschermd te zijn in haar benarde bestaan. Als Nonnie zich al min of meer verzoend heeft met haar “inheemse” leven en definitieve scheiding van haar familie wordt zij door haar vader opgespoord. Dan volgt het roerende afscheid van de haar inmiddels dierbaar geworden dorpelingen. Zij krijgt van haar vader te horen dat haar moeder, zus en broertje het kamp en de bersiap-periode hebben overleefd en al zijn scheep gegaan naar Nederland. Rest ook haar “repatriëring” met haar vader naar haar vaderland in de verte waar zij nog nooit is geweest. Hiermee richt dit boek, en dat is uitzonderlijk, de aandacht vooral op een categorie De Nederlandse gevangenen werden zwaar vernederd Nederlanders of blanken die, met behulp van de Indonesische bevolking en vrijwel steeds in zeer moeilijke omstandigheden, de Japanse bezetting buiten de kampen hebben overleefd. Al met al is Het uitgeleende kind een mooie en nuttige toevoeging aan de bestaande kampliteratuur uit Indonesië. (Aat Brand)

Trees Ruijs, Het uitgeleende kind. F&N Eigen Beheer, Castricum (2013). Dit boekje is te bestellen kosten € 20,00 (incl. verzendkosten) . Voor bestelling stuur een berichtje naar info@treesruijshuijsmuseum.nl of bel 0495-785267.

[1] Een mooi, goed geschreven voorbeeld van deze kampliteratuur met zowel non-fictie als fictie is: Bep Vuyk, Kampdagboeken. Drie verhalen, dagboeken en aantekeningen. Augustus, Amsterdam/Antwerpen. Eerder, in 1981 verscheen Bezonken rood, van voormalig kampkind Jeroen Brouwers. Deze roman werd controversieel vanwege de schildering van het regime in de Japanse burgerinterneringskampen als vergelijkbaar met dat in de Duitse vernietigingskampen: op grote schaal doodmartelen, mitrailleren en verkrachten van gevangenen. De essayist (en eveneens voormalig Indisch kampkind) Rudy Kousbroek fulmineerde heftig tegen deze voorstelling van zaken, met name in zijn artikel Het tomatenketchup-Tjideng (een groot burgerinterneringskampvoor vrouwen en kinderen in Batavia/Jakarta, AB) van Jeroen Brouwers, opgenomen in zijn Het Oostindisch kampsyndroom uit 1992. Hij toonde aan dat deze vergelijking historisch onjuist is, maar een populaire mythe onder overlevenden uit de Japanse burgerkampen.

[2] Zie H. Th. Bussemaker (2005), Bersiap! Opstand in het paradijs. De bersiap-periode op Java en Sumatra 1945- 1946. Walburg Pers, Zutphen.